“Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven.”

(Mattheüs 11:28)

Hoop tussen ruïnes

Soms zijn er van die gesprekken, momenten waarin je met Andrea, nadenkt over wat je hebt meegemaakt, over hoe God werkt in gebrokenheid. Zoals laatst, na een begrafenis die zo mooi en liefdevol was georganiseerd. Toen kwamen de herinneringen terug. Aan Srebrenica. Aan Sarajevo.

Ik was op reis in de omgeving van Srebrenica, waar duizenden moslims zijn gedeporteerd en vermoord. We bezochten een ziekenhuis, als je het zo mocht noemen. Beschimmelde muren, een stank van wanhoop, mensen zonder armen, benen, ogen – slachtoffers van een oorlog die geen genade kende. De staf deed wat ze kon, maar ze zeiden eerlijk: “We doen het niet goed.” Niet omdat ze niet wilden. Maar omdat ze niets hadden.

Mensen vroegen me met tranen in hun ogen: “Kun je me meenemen naar een ziekenhuis in Nederland?” Ik kon niets beloven. En dat brak me.

We waren daar als christenen, omringd door moslims die leden. De oorlog had diepe sporen achtergelaten. Buren werden vijanden. Flatgenoten moesten kiezen: ben je moslim of christen? De menselijkheid verdween in het stof van haat.

Op straat renden tientallen kinderen om onze auto – voor een snoepje, een muntje. Kleine weeskinderen zonder toekomst. Niemand die hen opving. En ik dacht: waar zijn de handen van christenen? Wie durft te gaan?

Er was een man – onze chauffeur – die tijdens de oorlog scherpschutter was geweest. Hij schreeuwde het uit boven de muziek: “Als ik beweging zag, schoot ik.” Met trots. En ik dacht: weet je wel wat je gedaan hebt? Weet je wie je geraakt hebt?

In een park lagen twintig graven van jonge mensen, zestien tot twintig jaar. Ik kon alleen maar huilen. Hun levens, hun toekomst, weggerukt.

En dan die oude man met zijn melkflessen. Acht uur lang stond hij in de vrieskou te wachten tot iemand zijn melk kocht. Eén fles verkocht hij. Misschien genoeg om een brood te kopen. Dat beeld blijft. Het doet pijn.

Later hoorde ik over de rioolkinderen van Roemenië. Kinderen van zes die voor baby’s zorgen. Kinderen onder het bloed, verkracht, verwaarloosd, levend tussen poep en afval. Daar, onder de grond. En dan wil je roepen: “Jezus is er voor jullie!” Maar woorden zijn niet genoeg. Ze hebben daden nodig. Bescherming. Huizen. Liefde. Hoop.

Ik geloof dat we geroepen zijn – jij, ik, als christenen – om niet weg te kijken. Niet alleen te bidden, maar ook te bouwen. De strijd aan te gaan. Niet met wapens. Maar met de wapens van het Koninkrijk: liefde, vergeving, genade.

En ja, misschien was die reis “doelloos” in menselijke ogen. We konden geen zieken meenemen. Geen kerk stichten. Geen directe verandering brengen. Maar misschien waren we zaaiers. En misschien is dat genoeg.

Ik bid dat die mensen, die kinderen, die vaders en moeders, Jezus hebben leren kennen. Misschien door een glimlach, een handdruk, een ontmoeting. Misschien door iets wat wij niet kunnen zien.

We leven in een wereld vol ruis, vol onrust. Vol oorlog. Kijk naar Amerika. Kijk naar de spanningen hier in Nederland. Maar wij… wij hebben Jezus. En dat verandert alles. Want Hij heeft gezegd:

“De Geest van God, de HEER, rust op Mij,
want de HEER heeft Mij gezalfd
om aan armen het goede nieuws te brengen.
Heeft Mij gezonden om gebroken harten te verbinden,
om aan gevangenen vrijlating te melden,
en aan geketenden hun bevrijding;
om het genadejaar van de HEER uit te roepen…”
— Jesaja 61:1–2

Dat is mijn hoop. Onze hoop. Dat Jezus komt. Dat Hij harten herstelt. Dat Hij recht doet aan wie vergeten zijn. En dat Hij eens – op die grote dag – zal zeggen: “Het is volbracht.” Net als op het kruis.

Met liefde ❤️ Ico

Goedemorgen

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *