Na ruim 24 uur slapen werd ik wakker met pijn. Mijn benen weigerden, het lopen ging bijna niet meer. En ineens was daar die gedachte: ik kan niet meer lopen. In de winkel stelde Andrea voor om een rolstoel te pakken. Mijn eerste reactie was: daar ben ik toch te goed voor? Maar eigenlijk… ben ik er juist op aangewezen. En dat is een lastige stap om te zetten. Een pijnlijk besef. Toch ook een stap in de goede richting. Een stap naar aanvaarding.
Vanochtend werd ik vroeg wakker, rond zes uur. Ik dacht: ik ga proberen rustig het hondje uit te laten. Buiten was het prachtig. Rond half acht liep ik daar, de zon op mijn gezicht. Ik voelde de warmte, maar nog meer voelde ik de uitnodiging in die warmte:
“Kom allen tot Mij, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven.”
En ik verlang naar die rust. Niet alleen voor mijn lichaam, dat moe is en worstelt, maar ook voor mijn ziel, die in een onrustige tijd leeft. Een tijd waarin afscheid steeds dichterbij komt.
Soms vraag ik me af: is dit de laatste keer dat ik iemand zie? Ik weet het niet. Maar ik leg het in Gods hand. En toch doet het pijn. Het doet pijn als ik op bed lig terwijl er iemand op bezoek is. Ik denk dan: Ico, wat zou ik graag weer gezond zijn. Maar juist in deze ziekte heb ik veel geleerd. Mijn relatie met God is intiemer geworden. Concreter. Mijn hele dag, mijn hele zijn, is gericht op Hem. En ik weet: daar, bij Hem, wacht een nieuw lichaam. Een nieuwe geest. Eeuwig leven.
Maar ik ben ook nog hier. En ik ben gelukkig. Gelukkig met mijn vrouw. Met mijn kinderen. Met mijn kleinkinderen. Met mijn vrienden. Het idee van afscheid doet zeer. Je wilt erbij zijn: bij het eerste rapport, de eerste kerstviering, het eerste zwemdiploma.
En toch… soms ben ik zo moe van de strijd. Als je benen niet meer doen wat ze moeten doen. Als je lichaam niet meer meewerkt. Als je afscheid moet nemen van het aardse, terwijl je hart nog vol leven zit. Maar ook dat leg ik in Gods hand.
Ik ben niet bang. Maar het is moeilijk. Moeilijk omdat het leven hier zo dierbaar is. Omdat de mensen om me heen me zo dierbaar zijn. Maar ik weet ook: mijn erfenis is niet alleen tastbaar. Ze leeft voort in de harten van de mensen die ik liefheb.
Daarom bid ik. Pleit ik bij God. Laat mij nog een tijd hier zijn. Laat me genieten, meegeven, liefhebben. Maar als dat niet zo is, dan weet ik: mijn bestemming ligt vast. Niet in een doktersstempel, maar in Gods hand.
En met die zekerheid eindig ik. Met Zijn Woord:
“De Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water.
Hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.”
— Psalm 23:1-3
Met liefde ❤️ Ico
Goedemorgen

Geef een reactie