Vanmorgen werd ik stilgezet. Wilma Veen stelde in haar overdenking de vraag: “Wanneer heb je voor het laatst gehuild?”
Die vraag kwam bij mij binnen als een storm in een stil huis. Ik hoefde er niet lang over na te denken. Het antwoord diende zich direct aan. Nu. De tranen stonden alweer in mijn ogen. Gisteren nog huilde ik. Niet voor het eerst. Zeker niet voor het laatst.
Ik huil vaker. Om het verdriet dat ik zie, om de pijn in de wereld. Maar soms huil ik ook uit wanhoop over mezelf. Over de eindeloze ziekenhuisbezoeken, de confrontaties met de kanker, het hart dat steeds zwakker wordt, de zieke aorta die weer onderzocht moet worden. Er komt een moment dat ik moet beslissen. Nog een operatie? Mijn lichaam is verkankerd. Is het de moeite nog waard?
Soms ga ik met mijn gedachten nog verder. Wat heeft het allemaal voor nut? Diep vanbinnen weet ik dat het niet gaat om wat ik verdien. Maar de gedachte bekruipt me: Dit is niet eerlijk, Heer. Dit heb ik toch niet verdiend?
Wilma vertelde over koning Hizkia. Hoe hij huilend bad tot God toen hij hoorde dat hij zou sterven. Hij keerde zijn gezicht naar de muur en riep tot de Heer: “Heer, vergeet niet hoe ik voor U geleefd heb, hoe trouw ik ben geweest.”
Hizkia huilde hevig. En het raakte mij, dat hij dat mocht doen. Dat hij zijn tranen liet zien. Zijn wanhoop uitsprak. En dat God hoorde. God luisterde. God greep in.
Ik keek terug naar mijn eigen leven. De openhartoperatie drie jaar geleden – met het risico dat ik niet meer wakker zou worden. Maar ik werd wakker. God was erbij. Daarna kwamen de andere gebreken. Toen de kanker. En gisteren voelde ik dat stukje geloof wankelen. Niet dat ik God kwijt was. Nooit. Maar ik was moe. Moe van het hopen op genezing. Moe van de pijn. Ik zei: “Heer, ik geloof niet meer in genezing op aarde. Wel in de hemel, maar niet hier.”
Andrea hoorde mijn gebed. Ze was stil. Ze zag mijn ongeloof. Maar ik kon het even niet meer opbrengen. Mijn lichaam voelt als een wrak. Ik eet, maar ik val af. Mijn huid krijgt wondjes. En de arts zegt: “Dat hoort bij de kanker.” Maar dat antwoord maakt me niet blij. ik huil, ik bid.
En toch… kwam daar vanmorgen een schop onder mijn kont. Een heilige schop, zeg maar. Ik las over Corrie ten Boom, die het concentratiekamp overleefde. Haar ziel bleef in leven. God greep in – op het laatste moment. En ik hoorde Gods fluistering: “Blijf geloven, Ico. Want Ik ben je Vader. Ik ben je Redder. Ik ben degene die ingrijpt – op een bijzondere manier. Op Mijn tijd.”
Met schaamte maar ook met overgave ging ik op mijn knieën. Samen met Andrea bad ik. Ze bad voor een wonder. Een wonder hier op aarde. Ze bad over haar liefde voor mij. En ik? Ik huilde opnieuw. Maar dit keer waren het tranen van hoop.
Ik wil weer geloven in dat wonder. Hier, op aarde. Ik weet dat mijn tijd in Gods hand ligt. En ik weet: Bij God is alles op tijd. Hij kent geen haast, maar ook geen vertraging. Alleen perfectie.
Soms voel ik me kwetsbaar. Maar juist in mijn zwakheid weet ik: God is erbij. En ik hoef niet sterk te lijken. Ik hoef niet de heilige held te spelen. Ik mag huilen. Ik mag twijfelen. Ik mag hopen. Ik mag verlangen.
Want ik weet: Ik zal niet sterven, maar leven – door Zijn kracht. Ik wil opstaan. Zoals Jezus opstond. Door Zijn bloed, door Zijn liefde, door Zijn opstanding.
Daarom bid ik. Voor genezing. Voor mijn hart, mijn aorta, mijn prostaat,mijn kanker, mijn longen. Voor een nieuw lichaam – hier op aarde. Want ik wil nog leven. Ik wil lachen, dansen, juichen. En ik wil getuigen van Zijn goedheid.
Want ik ben stapelverliefd op Jezus. En dat verandert nooit.
“Ik zal niet sterven, maar leven, en de daden van de HEER verkondigen.”
– Psalm 118:17
Met liefde ❤️ Ico
Goedemorgen

Geef een reactie