Gisteren was Andrea bij een bijeenkomst van lotgenoten. Partners die hun geliefde zien lijden aan kanker. En daar klonken verhalen. Triste verhalen. Zware verhalen. Verhalen waar de hoop bijna verdampt leek. Waar je mensen als het ware al niet meer zag, omdat ze verstrikt waren geraakt in de angst en de pijn.
Maar Andrea kwam thuis met blijdschap. Niet omdat de verhalen licht waren – ze waren juist loodzwaar. Maar omdat ze ook daar van Hem mocht getuigen en ook opnieuw besefte wat een wonder het is dat wij God kennen. Dat we Hem hebben vastgepakt, of liever: dat Hij óns heeft vastgepakt. Niet bij de handen,maar bij onze polsen. Hij laat ons niet los.
“Een drievoudig snoer wordt niet snel verbroken.”
– Prediker 4:12
Onze relatie is gebouwd op dat drievoudige snoer: God, Andrea en ik. We hebben in de elf jaar dat we samen zijn nooit echt ruzie gehad. Niet omdat we zo perfect zijn. Maar omdat we geleerd hebben om niet naar elkaar te kijken met verwijt of verwachting, maar door de ogen van Christus. En dan vervagen de dingen. Dan denk je: Wat zijn we gezegend! Wat is liefde mooi wanneer Jezus in het midden staat.
Ook nu – in de tijd van ziekte – praten we over alles. Over kanker. Over pijn. Over vermoeidheid. En ja, ik ben op dit moment ontzettend moe. Mijn lichaam lijkt leeggelopen. Alsof ik de hele dag kan slapen en toch niet uitrust. Soms komt er niks meer uit mijn vingers. Maar Andrea zegt: “Neem rust. Ik doe het wel.” En daarin leer ik afhankelijk te zijn van haar. Iets wat ik vroeger moeilijk vond. Maar nu is het een zegen.
“Maar wie de HEER verwachten, putten nieuwe kracht. Zij varen op met vleugels als van een arend. Zij lopen, maar worden niet moe, zij gaan, maar worden niet mat.”
– Jesaja 40:31
We geloven dat God geneest. Hij deed dat 2000 jaar geleden, en Hij doet het nog steeds. Hij kan een wonder doen, ook nu. Maar we weten ook dat Gods tijd niet onze tijd is. Soms lijkt het leven ineens voorbij. Iemand is “te jong” of “was nog niet klaar”, maar God weet wat Hij doet. Hij haalt ons thuis op Zijn moment. En dán… dán begint het pas echt.
“Want voor mij is het leven Christus en het sterven winst.”
– Filippenzen 1:21
De dood is voor ons geen einde. Het is het begin van een hemels leven. Geen steunkousen meer. Geen medicijnen. Geen ochtenden met hoofdpijn. Maar een leven in volle glorie – bij Hem. En tot die tijd? Tot die tijd willen we getuigen. Bij de chemo, bij de buurvrouw, bij vrienden, bij wie dan ook. Want ik gun iedereen een ontmoeting met God. Want zó’n ontmoeting verandert je. Ze geeft rust. En hoop. En vrede – zelfs als je lichaam wordt afgebroken.
“Mijn vlees en mijn hart bezwijken, maar God is de rots van mijn hart en mijn erfdeel voor eeuwig.”
– Psalm 73:26
Dus ook al vreet de ziekte aan mijn lijf, ik blijf bidden. Voor genezing. Voor kracht. Maar bovenal dat God centraal blijft staan – ook in jouw leven. Of je nu in verdriet bent, of in blijdschap. Of je worstelt met je huwelijk, je werk, je angst, je gezondheid. Kijk niet naar de ander, maar kijk naar Jezus. En je zult zien dat je boosheid vervaagt. Je zorgen kleiner worden. En je hart gevuld wordt met vrede.
Vader in de hemel,
U bent de God van leven, van hoop, van liefde.
U bent onze kracht, als wij geen kracht meer hebben.
U bent onze vreugde, als wij verdrietig zijn.
U bent ons houvast, als alles lijkt weg te glijden.
Dank U dat U onze polsen vasthoudt – stevig, vol liefde, vol trouw.
Dank U voor Andrea. Voor haar liefde. Voor haar kracht.
Dank U voor iedere nieuwe dag, zelfs als die zwaar is.
Geef nieuwe energie, Heer. Geef hoop. Geef wonderen.
Leer ons steeds opnieuw naar U te kijken.
Niet naar onze omstandigheden. Niet naar wat we missen.
Maar naar Jezus – onze Redder, onze Vriend, onze Heer.
En als het moment komt dat U roept, Heer,
dan willen wij klaar zijn. Niet bang, maar vol verwachting.
Want bij U is leven. Eeuwig leven.
In Jezus’ naam.
Amen
Met liefde ❤️ Ico
Goedemorgen

Geef een reactie