Dan lig ik hier. In het ziekenhuis. Aan de chemo.
Het begint met een zakje om te spoelen.
Dan de chemo.
Dan weer een zakje om zeker te weten dat het allemaal in mijn lichaam zit.
En dan sluit ik mijn ogen.
En ineens zie ik een trap.
Ik ben weer klein. Een kind.
Ik loop die trap op. Een marmeren trap met zwarte treden en wittige randen.
En het voelt als… een trap naar de hemel.
Maar ik ben daar alleen. Niemand anders op die trap.
Ik weet niet precies wat het betekent. Maar ik loop.
Alleen, klein, misschien zoekend.
Het bed begint te schommelen.
Het voelt als een boot.
En dan hoor ik een woord in mijn gedachten: De ontmoeting.
Ik weet niet met wie, of wat,
maar ergens weet ik: het is heilig.
Misschien zoals die keer toen ik in de tuin keek bij vrienden.
En het leek alsof ik in die film zat — De uitnodiging .
Een plek waar vrede hing. En verwachting.
En hier, in het ziekenhuisbed, voel ik weer iets van die rust.
Van dat geheim.
En dan is Andrea bij me.
Ze kruipt tegen me aan. Ze huilt ineens, zomaar.
Ze zegt: “Ik weet niet waarom.”
Maar ik weet het ergens wel.
Want wat er gebeurt, is groter dan wij kunnen begrijpen.
Alsof Jezus, God, de Heilige Geest zich voorstellen.
Alsof de Drie-eenheid zichzelf openbaart.
In stilte. In tranen. In een aanraking.
In het niet-weten.
En toch weten dat het goed is.
Ik snap het vaak niet.
Mijn gedachten gaan alle kanten op.
En toch weet ik wél dit:
Wij hebben een God die van ons houdt.
Een Jezus die voor ons aan het kruis ging.
En een Heilige Geest die ons troost.
Die aanwezig is — hier, nu, op dit bed.
Het eindigt niet bij de dood.
Niet bij een begrafenis.
Want het eindigt nooit.
Wij zullen altijd bij Hem zijn.
Maar toch… ik heb een wens.
Dat ik nog een tijd mag genieten van mijn vrouw, van onze kinderen, van onze kleinkinderen.
Dat ik mag lachen, delen, liefhebben.
Ik weet dat God ook naar onze wensen luistert.
Maar ik weet ook wat Zijn diepste wens is:
Dat Zijn kinderen thuis komen.
Dus ik leg ons leven in Zijn hand.
Niet wetend hoe het afloopt.
Komt de genezing hier, op aarde?
Of straks, bij Hem?
Ik weet het niet.
Maar ik weet wél:
Zijn liefde blijft.
Zijn trouw houdt nooit op.
Hij is hier — op de trap, in de boot, in het ziekenhuisbed.
Hij is er als ik niets meer begrijp,
en Hij is er als ik niets meer hoef te begrijpen.
En ik ben dankbaar.
Voor de liefde die ik mocht ontvangen.
En mag uitdelen — aan Andrea, aan onze kinderen,
aan onze kleinkinderen.
Ik ben trots op ze.
Ze dragen mee.
Ze bellen, ze bidden, ze leven mee.
Ze houden van me.
En ik weet:
God draagt ons.
‘Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De tegenwoordige hemel en de tegenwoordige aarde waren er niet meer, en ook de zee was verdwenen. Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel naar beneden komen, bij God vandaan. Zij zag er feestelijk uit, als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor de bruidegom en hem opwacht. Ik hoorde een luide stem vanaf de troon zeggen: ‘Gods woonplaats is nu bij de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij zal Zelf bij hen zijn. Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen. Er zal geen dood meer zijn, geen verdriet, geen rouw of pijn, want die dingen horen bij de oude wereld die voorbij is.’’
Openbaring 21:1-4 HTB
Vader in de hemel,
U die alles overziet,
dank U dat U erbij bent – in het lijden, in de liefde, in de verwarring.
Dank U dat we niet alles hoeven te begrijpen om U te vertrouwen.
Dat U ons draagt als wij het niet meer weten.
Dat U zachtjes spreekt – soms in tranen, soms in beelden, soms in diepe stilte.
Zegen Andrea, zegen onze kinderen, zegen onze kleinkinderen.
Laat Uw liefde blijven stromen,
in ons huis, in ons hart, en in onze toekomst –
hoe die ook zal zijn.
Amen.
Met liefde ❤️ Ico
Goedemorgen

Geef een reactie