“Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven.”

(Mattheüs 11:28)

Muren om mijn hart

Ik zie mezelf als kind. Klein, kwetsbaar, maar al begonnen met het bouwen van muren om mijn hart. Muren om pijn buiten te houden, om geen verdriet toe te laten. En die muren groeiden. Als puber waren ze al zo hoog geworden dat ik nauwelijks nog over het leven heen kon kijken. Het was donker vanbinnen. Een zwart gat waar geen mens mij uit kon trekken. Ik zat gevangen, keek tegen een muur van leegte aan — zonder uitzicht, zonder hoop.

Als jongvolwassene ging dat door. Ik leefde, maar zonder echt te leven. Alles voelde geprogrammeerd. Liefde gaf ik zoals ik het uit films geleerd had. Een arm om iemand heen, omdat dat zo hoorde. Huilen omdat ik had gezien dat het zo moest. Maar er zat geen hart in. Geen gevoel. Alleen maskers. Een robot in een mensenwereld.

Maar toen… kwam God.

Ik liet Hem toe. Niet in één keer. Het ging langzaam. Heel langzaam. Steentje voor steentje brokkelde Hij die muur af. Niet ik, maar Hij. Ik hoefde niet meer te leven achter mijn aangeleerde gedrag, achter de maskers die ik in groepen had opgezet. Ik leerde wat echte liefde was. Niet uit het hoofd, maar uit het hart. Niet geleerd, maar gegeven.

God liet mij zien dat ik mocht zijn zoals ik ben. Dat ik zijn geliefde kind ben. Hij toonde mij leven. Echte vreugde. Vrede. Relaties zoals Hij ze bedoeld heeft — vol liefde, vol waarheid. En soms keek ik over dat muurtje heen en zag ik het licht. Zag ik kinderen spelen. Volwassenen liefhebben. En dan zakte ik weer weg. Viel ik terug. Maar God liet mij nooit los.

Hij gaf mij mensen op mijn pad. Openbaringen die mij raakten. Hij gaf mij het inzicht: Je hoeft het niet alleen te doen. Ik mocht leren, vallen en weer opstaan. En telkens weer was daar Gods hand. Zijn schouder. Zijn glimlach. Zijn kracht.

Ik herinner me een moment, op Goede Vrijdag. Een meisje durfde niet via de brandtrap naar beneden. “Ik ben bang,” riep ze. Alles in mij wilde het oplossen. Maar toen voelde ik het: God zelf nam het over. Ik gaf haar mijn hand. Mijn schouder. En samen, treetje voor treetje, daalden we af. Ze overwon haar angst. En ik mocht dat wonder van nabij meemaken.

Dat is ook mijn verhaal. Stap voor stap met God. Niet uit eigen kracht, maar gedragen. Gekend. Geliefd.

En ik ben Hem dankbaar. Voor mijn leven. Voor mijn kinderen. Voor mijn geweldige, liefdevolle vrouw Andrea, die altijd klaarstaat, altijd bidt, altijd draagt. Voor de openbaringen. Voor de liefde. Voor wie Hij is.

Ik schaam mij niet voor het Evangelie. Niet voor wat God mij influistert. Ik wil geen rekening meer houden met wat mensen denken. Eén ding telt: Wat denkt God van mij?

En ik hoor Hem zeggen:
“Kom zoals je bent. Je bent goed genoeg.”

Daarom: alle remmen los. Ik voel dat, ook nu ik ziek ben, de vijand probeert mij naar beneden te trekken. Maar God zegt: Doe je riem om, Ik stuur. Jij mag vertrouwen. We gaan ervoor.

Soms lijkt het alsof we die bocht niet halen, maar we weten: God zit aan het stuur. We zullen aankomen. In veiligheid. In vrede.

Ik ben blij. Omdat ik leef. Omdat Jezus in mij leeft.

“Ik geef jullie een nieuw hart en een nieuwe geest. Ik neem het versteende hart uit jullie lichaam en geef jullie er een levend hart voor terug.”
Ezechiël 36:26

In liefde ❤️ Ico

Goedemorgen

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *